Evidence-based? - Nutricura
190
page-template,page-template-full_width,page-template-full_width-php,page,page-id-190,page-child,parent-pageid-69,bridge-core-3.0.1,qode-page-transition-enabled,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode_grid_1400,qode-theme-ver-28.6,qode-theme-bridge,wpb-js-composer js-comp-ver-6.7.0,vc_responsive

Evidence-based?

Wanneer je online ‘orthomoleculaire geneeskunde’ ingeeft, zal je dikwijls lezen dat deze alternatieve vorm van therapie als kwakzalverij wordt afgedaan. De reguliere/conventionele geneeskunde kijkt vaak met een afkeurend oog naar alles wat vanuit orthomoleculaire hoek komt. De verklaring die hiervoor meestal gegeven wordt is dat er niet genoeg wetenschappelijk bewijs is, of dat het bewijs niet sterk genoeg is, maar laat mij hier even dieper op ingaan.

In de geneeskunde is iets ‘evidence based’ zodra iets bewezen wordt in een grote wetenschappelijke studie, waarbij een placebo effect kan worden uitgesloten. Dergelijk onderzoek noemt men dubbelblind gerandomiseerd onderzoek. De werking van een stof (geneesmiddel, nutriënt of plantenstof) dient overigens ook meetbaar te zijn in de daarvoor bedoelde biochemische of hemodynamische parameters van de patiënt. Men spreekt hier dus van ‘wetenschappelijk bewijs’. Het ‘evidence based practice’ model steunt echter ook nog op twee andere pilaren, namelijk de voorkeur van de patiënt en de professionele oftewel klinische expertise. Met professionele expertise bedoelt men de ervaringen vanuit de praktijk.

Nu is het zo dat het wetenschappelijk onderzoek naar de (therapeutische) werkzaamheid van nutriënten en plantenstoffen de laatste jaren aan een enorme opmars bezig is. Dit vertaalt zich ook in de apotheken en parafarmacieën waar voedingssupplementen vandaag de dag in groten getale aanwezig zijn. Denk maar aan supplementen met kurkuma voor de gewrichten of supplementen met bèta-glucanen voor de weerstand. Het wetenschappelijk bewijs naar de werkzaamheid van geïsoleerde bioactieve nutriënten (en plantenstoffen) stapelt zich op en toch durven sommige artsen soms nog te beweren dat dergelijke zaken niet werken en dus geen impact kunnen hebben. Wanneer je als patiënt aan je huisarts vraagt of jouw voedingssupplement werkt, dan krijg je vaak te horen dat het geldverspilling is. Ook het welgekend gezegde ‘baat het niet, dan schaadt het niet’ klinkt je waarschijnlijk bekend in de oren. Dit is echter een totaal verkeerd beeld dat men schetst. Indien je niet gebaat zou zijn met je voedingssupplement zou het ook nutteloos zijn om dit in te nemen. Je kan je dan afvragen of dit advies komt vanuit onwetendheid of eerder vanuit de arts zijn of haar overtuiging.
Artsen hebben gedurende hun opleiding geneeskunde slechts een zeer kleine hoeveelheid leerstof gekregen wat betreft voeding en ziekte, voedingsleer en fytotherapie. Het kan niet dat men bepaalde dingen gaat afdoen als kwakzalverij wanneer men er in feite (te) weinig kennis van heeft.

Nog een ander knelpunt betreffende de wetenschappelijke evidentie van voedingssupplementen en geïsoleerde bioactieve nutriënten is dat het voor de farmaceutische industrie vaak financieel niet interessant is om geld te pompen in wetenschappelijk onderzoek naar de therapeutische werkzaamheid van deze componenten. Het is immers zo dat men op dit soort stoffen geen patent kan nemen en er hier dus ook geen grof geld mee kan verdiend worden. Voor dergelijke bedrijven is het veel aantrekkelijker om nieuwe geneesmiddelen op de markt te brengen dan om onderzoek te voeren op plantenstoffen, bioactieve nutriënten of vitaminen en mineralen. De laatste jaren is er wel een kentering op gang gekomen in de wetenschappelijke wereld, maar het is en blijft een obstakel. De orthomoleculaire geneeskunde ziet zich dus vaak genoodzaakt haar evidentie te halen uit kleinschaligere studies die voor de medische wetenschap vaak niet voldoende ‘evidence-based’ blijken te zijn.

Een betere samenwerking tussen de reguliere geneeskunde en de complementaire, orthomoleculaire geneeskunde zou voor de patiënt echter het totaalplaatje kunnen betekenen. Wanneer kennis uit beide invalshoeken gecombineerd wordt, kan de behandeling voor de patiënt zonder enige twijfel geoptimaliseerd worden. In Nederland staat men op dit gebied al een stuk verder, daar kunnen masterstudenten geneeskunde na het afstuderen de opleiding ‘integrale geneeskunde’ (leefstijlgeneeskunde) bijstuderen. Men kan deze opleiding enkel aanvatten indien men een masterdiploma in de geneeskunde of tandheelkunde heeft of een apothekersdiploma behaald heeft. Het is zeer jammer dat dit in België vandaag nog niet aan de orde is, maar gelukkig zie ik her en der toch (vaak jongere) artsen die hier voor openstaan. Mijn ambitie is om samen met artsen vanuit de regio, in overleg, te zoeken naar wat het beste is voor de patiënt. Alsook om diezelfde artsen die vragen hebben hierrond correct en wetenschappelijk onderbouwd te informeren.